De eerste Goirlese Olympisch kampioen

Olympische sport bestaat bij de gratie van de breedtesport. Elke Olympisch kampioen heeft immers op een willekeurig moment in het verleden en op een willekeurige plaats in de wereld zijn eerste stappen als toekomstig topsporter gezet. Zo ook Tiest van Gestel, handboogschutter in Goirle en winnaar van een gouden Olympische medaille in 1920. Drs. Thijs Kemmeren dook de archieven in en schetste het verhaal van Tiest van Gestel en de handboogsport. Andere Tijden Sport in Goirle.



 

Thijs Kemmeren  

 

 

 

Drs. Thijs Kemmeren heeft een proefschrift in voorbereiding over de sociaal-maatschappelijke betekenis van sport in Tilburg, 1844-1971. Hij  doceert (internationale) sportmarketing en citymarketing aan de opleidingen SPECO (Sport Economie en Communicatie) en JCU (Johan Cruijff University) van Fontys Economische Hogeschool Tilburg.


Irene Wüst is niet de eerste gouden-medaillewinnaar op de Olympische Spelen die afkomstig is uit Goirle. Op 10 augustus 1920 verscheen in De nieuwe Tilburgsche Courant het volgende bericht:

 

Op den te Antwerpen gehouden wedstrijd met handboog heeft Nederland met glans gewonnen. In het strijdperk traden slechts drie landen: Nederland, België en Frankrijk. Het Nederlandsche achttal was puik en heeft zich kranig gehouden. Er werd te Antwerpen met een achttal (in ons land zestal) uitgekomen, ieder met 60 pijlen. Ons land behaalde het kampioenschap met 3087 punten. België behaalde 2026 punten en Frankrijk slechts 2387 punten. Toen de Nederlandsche handboogschutters kampioen waren geworden, zongen zij uit volle borst het Nederlandsche volkslied. Sommigen uit het publiek misgunden den Nederlanders het kampioenschap en scholden van kaaskoppen. Onze kranige handboogschutters stoorden zich er echter niet aan en zongen des te luider het Wien Neerlandsch bloed.

Een van die kranige handboogschutters was Tiest (Jan Baptist Josef) van Gestel, geboren in 1881 te Goirle en lid van de Goirlese handboogschietvereniging De Rozenjacht.

 

In Antwerpen werd geschoten op een stilstaande schijf met daarop een blazoen met de puntentelling van 9-7-5-3-1. De kleuren van het blazoen waren zwart, geel en rood: de kleuren van de Belgische vlag. Behalve Joep Packbiers uit Maastricht kwamen alle schutters uit Brabant. Enkele uit Midden Brabant, zoals Janus Theeuwes uit Rijen en Jo van Gastel uit Tilburg. De resultaten: Janus Theeuwes schoot 443 punten, Driekske van Bussel 364, Joep Packbiers 364, Janus van Merrienboer 388, Jo van Gastel 414, Theodorus Willems 394, Piet de Brouwer 378 en Tiest van Gestel 332.

 

Sint Sebastiaan

 

De opkomst van het handboogschieten als sport 

Pieter Breuker, één van de weinigen die zich bezighouden met de Nederlandse sportgeschiedenis van de negentiende eeuw, heeft recentelijk het ontstaan van de moderne sportwereld vanuit twee verschillende werelden beschreven. Het gaat daarbij om een traditionele, conservatieve (volks)sportwereld, die hechtte aan tradities en al eeuwenlang bestond, en een moderne, vernieuwende, negentiende-eeuwse, die het speelterrein van de stedelijke elite was. Een van de traditionele sportieve vermaken was het handboogschieten, eeuwenlang beoefend en georganiseerd door aloude schuttersgilden. De moderne handboogschietverenigingen vormden onderdeel van sociëteiten in de jaren dertig en veertig van de negentiende eeuw. Ze waren menigmaal ontstaan vanuit de wegkwijnende schuttersgilden, die hun functie hadden verloren. De sociaal-maatschappelijke betekenis van de traditionele schuttersgilden was immers verschoven naar een meer private, nadat ze in de Napoleontische tijd hun publieke functie hadden verloren en de bescherming van steden en dorpen was overgenomen door een nieuw veiligheidsapparaat. De schuttersgilden kregen daardoor een steeds minder prominente plaats en velen die oorspronkelijk lid waren van een gilde stapten over naar een van de nieuwe handboogschietverenigingen. Deze eerste verenigingen werden aanvankelijk bemand door de bovenlaag van de bevolking, maar al spoedig trad het trickle down-effect op en was de beoefening toegankelijk voor brede lagen van de bevolking. Vele verenigingen hadden hun thuis in koffiehuizen, cafés en kroegen. Vanaf de jaren zestig en zeventig ontdekten de kasteleins de commerciële mogelijkheden van de nieuwe sport. De herberg was al eeuwen een belangrijk ontmoetingscentrum waar allerlei activiteiten plaatsvonden. De uitbaters voelden de tijdsgeest goed aan door plaats te bieden aan de gezelschappen, maar ook door actief te zijn in de oprichting van nieuwe handboogschutterijen, de aanleg van schietbanen, het organiseren van concoursen en het bouwen van overdekte banen. Dat laatste gebeurde in de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw, toen de handboogsport een opleving kende en bijvoorbeeld in Tilburg een competitie plaatsvond waaraan tientallen gezelschappen en honderden handboogschutters deelnamen. De eerste overdekte schietbanen verschenen al rond 1900.

In de tweede helft van de negentiende eeuw nam het aantal handboogschietverenigingen snel toe. Zo bestonden er in Tilburg 1879 al 29 handboogschietverenigingen, met ongeveer 750 leden. In Midden Brabant werden tal van concoursen georganiseerd, met vaak tientallen deelnemende verenigingen.

 

In 1898 besloten meer dan vierhonderd handboogschietverenigingen uit Brabant ter gelegenheid van de inhuldiging van koningin Wilhelmina samen een cadeau aan te bieden en niet in te gaan op het verzoek van de Nederlandse sportbeweging om dat namens de Nederlandse Sportbeweging te doen. Een besluit dat de verhoudingen tussen de handboogschietverenigingen en de andere Nederlandse sporten niet bevorderde. Het handboogschieten vormde een brug tussen beide door Breuker genoemde sportwerelden, en groeide uit tot een moderne sport met vastgestelde spelregels, een competitie en een sportbond. De overgang van de tradities van de gilden naar de strak gereglementeerde wedstrijdsport verliep geleidelijk en vele gewoontes werden overgenomen. Zo kenden (en kennen) veel handboogschietverenigingen een teerdag, hielden ze, voorafgaand aan een concours, parades en optochten door hun stad of dorp, en beloonden ze de winnaars met medailles. Daarbij manifesteerde zich de sociaal-maatschappelijke betekenis van de sport steeds sterker. Maar ook sportief gezien maakte het handboogschieten een belangrijke ontwikkeling door. De aloude gildeactiviteit groeide uit tot een sport met gestandaardiseerde regels, competities, een organisatiestructuur, verenigingen en een bond, en uiteindelijk kreeg het de status van een Olympisch discipline.

 

 

 

Handboogschietverenigingen in Goirle

Het patroon van de gilden die het traditionele boogschieten ombouwen tot een echte wedstrijdsport is ook terug te zien in Goirle. Rond de eeuwwisseling verschijnen er verschillende handboogschietverenigingen. En ook in Goirle zijn het de herbergiers en koffiehuishouders die hierin een belangrijke rol spelen. De gezelschappen nemen deel aan wedstrijden in de hele provincie en winnen vele prijzen. De eerste vermelding in de Tilbursche Courant is op 30 oktober 1869. Het gilde St. Sebastiaan, opgericht in 1819, organiseert een concours bij herbergier W. van Puijenbroek. De te winnen prijzen zijn niet mis: Een zilveren Erekruis, een fraaie handboog met pijl, twee zeer fraai bewerkte tabaksdozen, twee schoone sigarenkokers, twee portomonaies, twee tabakspijpen. Aan de wedstrijden nemen elf gezelschappen deel, afkomstig uit de regio.
De wedstrijden worden ondanks het matige weer zeer goed bezocht.

Olympisch Kampioen handboogschieten

 

Andere gezelschappen uit Goirle zijn Le Noble Arc (1883), Vrede onder Ons, St. Hubertus, Onderling genoegen en de Transvalers (1901). Het nabijgelegen dorp Riel kent het gezelschap Recht door Zee. Le Noble Arc viert in 1908 haar 25-jarig bestaan met een groot nationaal concours en ook hier blijkt de betrokkenheid van het Koninklijk Huis bij het handboogschieten. Koningin Wilhelmina en Koningin-moeder Emma schenken drie prachtige prijzen.

De betrokkenheid van het koningshuis bij het handboogschieten stamt uit de tijd van Koning Willem III, die in de jaren vijftig van de negentiende eeuw concoursen op Het Loo organiseerde, voornamelijk om de traditionele en conservatieve gilden aan zich te binden. De als losbandig bekendstaande koning was zelf een fervent handboogschutter en hoopte op deze manier zijn imago te verbeteren. St. Hubertus behaalt in 1906 een eerste prijs bij een nationaal concours in Tilburg, georganiseerd door handboogschuttervereniging Recht door Zee en gevestigd bij caféhouder Smulders op Goirke in Tilburg, waaraan dertig gezelschappen deelnamen. De Transvalers, opgericht in september 1906 in het koffiehuis van P. Hendriks, is een gezelschap dat uitstekende schutters heeft. Het gezelschap wint vele prijzen en neemt deel aan concoursen in de hele provincie. Ter gelegenheid van het vijfjarig bestaan organiseert De Transvalers in 1911 een internationaal concours op de schietbanen bij het koffiehuis. Aan dit concours nemen 43 gezelschappen deel. De hoofdprijs, een zilveren lauwerkrans, komt in handen van De Vriendenkring uit Rijen. Het gerstenat is afkomstig van brouwerij De Posthoorn uit Tilburg en de verslaggever concludeert dat: de vriendschap het ware ideaal is van den edelen handboog. In 1912 organiseren De Transvalers een groot feest ter gelegenheid van het behalen van de vijftigste medaille op een concours te Diessen. Naast de handboogschietverenigingen bestaan er ook kruisboogschietverenigingen in Goirle, zoals Onderling Genoegen, Wij Streven naar ons Doel, De Zuidwester Kruisboog en De Geest des Tijds, evanals een voetbooggilde: het aloude St. Jorisgilde. Rozenjacht, de handboogschietvereniging waar Tiest van Gestel lid van is, wordt opgericht in 1911 en is gevestigd bij de Wed. P. van Gestel. Peter van Gestel, de vader van Tiest, is in 1910 op 69-jarige leeftijd overleden en zijn vrouw Hendrika Schellekens opent daarna een café om in haar levensonderhoud te voorzien. De oudste zoon van het echtpaar Van Gestel-Schellekens, Johannes Jacobus, in de volksmond ‘Kubke’ van Gestel, neemt het café in 1916 over. Kubke is in 1915 getrouwd met Wilhelmina van Vinken. Hij overlijdt in 1937, maar Rozenjacht bestaat in ieder geval nog in 1939, wanneer de vereniging samen met St. Sebastiaan en St. Hubertus in café de Twem een onderlinge wedstrijd houdt. Natuurlijk is Tiest van Gestel lid van de vereniging die thuis is in het café van zijn moeder en later van zijn broer. De Twem heeft overigens haar naam ontleend aan de in 1923 gebouwde Tilburgse Wieler en Motorbaan, een sportaccommodatie voor 15.000 toeschouwers, die overigens enkele jaren later alweer failliet gaat.

 

De Olympische Spelen te Antwerpen

 

De Olympische Spelen te Antwerpen De moderne Olympische Spelen, die in 1896 door baron Pierre de Coubertin in 1896 opnieuw tot leven waren gebracht, konden in 1916, als gevolg van de Eerste Wereldoorlog, geen doorgang vinden. Antwerpen kreeg de Spelen in 1919 toegewezen, vooral omdat België zeer onder de oorlog had geleden. De andere stad die zich kandidaat had gesteld, was Amsterdam. Antwerpen had slechts een jaar om de Spelen te organiseren en dat was te merken ook. De accommodaties waar de deelnemers, die afkomstig waren uit 29 landen, verbleven, was erbarmelijk en dat gold ook voor de organisatie. De prijs voor de toegangskaarten was hoog en het weer was slecht. De NTC schreef hierover:


Steen en been werd geklaagd over de allertreurigste organisatie, terwijl het optreden van de Belgische comitéleden en vooral van de deelnemende schutters tegenover onze schutters ver beneden peil was. Sportgeest was er ten eenemale vreemd. Zo wisten ze eerst bijna te bewerken dat de Hollanders niet in hun hemdsmouwen mochten schieten, doch met hun jassen aan. Ten slotte kregen ze gedaan dat de Hollanders uitgesloten werden van het schieten om den kampioensprijs, hoewel de Hollandse schutter het hoogst stond van allen.

 

De grote held van de Spelen voor de Belgen was hun landgenoot Hubert van Innes, die vier gouden en twee zilveren medailles behaalde bij het handboogschieten. Nederland vaardigde 130 deelnemers af en won vier maal goud: bij het wielrennen, het zeilen (tweemaal) en het handboogschieten. Omdat er in 1920 geen overkoepelende Nederlandse handboogbond en nationale selectie waren, werden er wedstrijden uitgeschreven om een ploeg van tien schutters (acht deelnemers en twee reserves) samen te stellen. Van 26 tot 30 juni 1920 vonden deze wedstrijden plaats in Woensel. Daar streden de beste afgevaardigden van 250 handboogschutterijen ‘met den edelen handboog’. Ieder schoot zestig pijlen over een afstand van 28 meter. De bovenvermelde deelnemers, onder wie de Goirlenaar Jan Baptist Josef van Gestel, verdienden een uitzending naar de Spelen.

 

De Nederlandse ploeg was op voorhand al verzekerd van de overwinning, omdat aan het onderdeel 28 meter schieten slechts drie landen deelnamen: Frankrijk, België en Nederland. Voor aanvang van de wedstrijd dienden de Belgen nog een protest in. Zij vonden dat de Nederlanders niet in hun hemdsmouwen mochten schieten, dat moest in het officiële tenue gebeuren. De Nederlanders trokken zich hiervan niets aan en onder luid gejoel vond de wedstrijd plaats, met als resultaat goud voor Nederland en de eerste gouden Olympische medaille voor een Goirlenaar. Die gouden medaille is in Goirle echter niet meer te vinden. Sjef Hoogendoorn, heemkundige uit Goirle, sprak Thijs Hermans, een kleinkind van Kubke van Gestel. Hermans vertelde dat zijn opa altijd tegen hem zei: 'As ge de medollie wilt zien, dan môtte naor Amsterdam, daor hangt’ie in unnen gang!' Welke gang of waar in Amsterdam is niet meer te zeggen (mogelijk hangt de medaille er nog, als ze de spijker niet uit de muur hebben getrokken).

 

 

Goirle topsportdorp

Jan Baptist Josef van Gestel was niet de laatste Goirlese handboogschutter die deelnam aan Olympische Spelen. Carry van Floris, lid van St. Sebastiaan, nam deel aan de Spelen van Moskou (1980) en Los Angeles (1984). Ze was bondscoach in 2000 (Sydney). Tiest van Gestel was de eerste van een lange reeks Goirlese topsporters, zoals Henk Pellikaan (Nederlands voetbalelftal jaren dertig), Ton van den Wildenberg (oud-burgemeester, Nederlands hockeyteam, maar geen deelnemer aan de Spelen van Melbourne), Mieketien Wouters (Nederlands hockeyteam), Huub Zilverberg 

(wielrennen, Tour de France), Martin van Geel (voetbal, technisch directeur Feyenoord), Jeannette Penning (bobslee, Olympische Spelen 2006), Joris Matthijssen, (Nederlands voetbalteam, tweede wereldkampioenschappen 2010) en Deborah Gravensteijn (judo, zilver Olympische Spelen 2005). De reeks is niet volledig en ook nu levert Goirle weer Olympiagangers. Marleen van Iersel maakt een grote kans om deel te nemen aan het beachvolleybaltournooi en Roel Verwijlen gaat als bondscoach van zijn zoon Bas. Goirle is een echt topsportdorp.