Aanpikken

Iemand het snot voor zijn ogen rijden. Wat dat betekent, heb ik geleerd tijdens een trainingskamp voor amateurs en trimmers in Spanje. We deden daar iedere dag een etappe met in de finale een klim naar een tunneltje door een bergtop. Je was nog niet aan de voet van de berg of de beste amateurs begonnen aan een lange sprint naar boven om het kaf van het koren te scheiden en om zich te ontdoen van linkmichels die niet zo goed waren als zijzelf, maar wel sneller aan de meet. Met veel zuchten en steunen wist ik me steeds tot die beklimming in het peloton te handhaven, maar tijdens dat laatste geweld viel ik er onmiddellijk af.

 

Wat wist ik van bergen? In Tilburg knalden we wel eens tegen de flanken van vuilstort De Spinder op en tussen Gilze en Molenschot was zelfs een viaduct dat wel tweemaal zo hoog leek als een normaal viaduct, maar bergen? Nee, viaducten waren een soort van sprints van tweehonderd meter, maar de klim naar dat rottunneltje daar was wel drie kilometer lang, een afstand waarin tweederde van wie dan nog in het peloton zat, eraf werd gereden. Ook ik.

En dat was erg,want mijn twee Tilburgse vrienden met wie ik ingeschreven had, wisten wél temidden van de snelle klimmers die gore rotbult te nemen. Een ramp! Ze verdwenen met een twintigtal andere deinende achterwerken uit het zicht en wij, de achterblijvers, zagen hen niet eerder terug dan aan de eindstreep. Daar vertelden zij ons hoeveel minuten ze vandaag weer gepakt hadden en dat ze serieus hadden meegesprint voor de etappezege.

 

Er was maar één mogelijkheid die vernederingen een halt toe te roepen: meegaan met de klimmers, honderd kilo zwaar of niet. Dus zorgde ik er de volgende dag voor om al kilometers tevoren vooraan in de groep te rijden, om erbij te zijn zo gauw de berggeiten aan hun dollemansrace zouden beginnen. Iedere meter telt! Deze keer zouden ze me niet pakken! Hoewel? Alleen het vals plat al, de aanloop tot de helling, woog zwaar in de benen. Liep mijn achterwiel soms vast? Had ik mijn materiaal wel goed gecontroleerd? Er was geen tijd om te kijken, want links van de straat sprong de eerste bergkoning weg. Iedereen uit het zadel. Ik ook. Mijn dijbenen schoten vol adrenaline, ketting en derailleur kraakten onder de spankracht. Maar toch leek het weer of ik stil stond ten opzichte van de anderen. Moest ik niet kleiner schakelen? Gaan zitten? Het op souplesse proberen?

 

“Ik moet mee! Ik moet mee”, scandeerde de wilskracht in me. Mijn longen piepten, mijn kuiten trilden en dreigden ieder moment te verkrampen. Ging ik zitten, dan leek het of ik stilviel, bleef ik op de trappers staan, dan voelde ik dat ik in elkaar zou storten binnen honderd meter. Dit ging gewoon te hard voor me. Links en rechts dansten de cracks me voorbij, ook mijn vrienden. Ik probeerde bij hen aan te pikken. Via een ultieme jump, waarbij ik zo’n krachtterm slaakte dat ik het slijm uit mijn longen op mijn neus en mijn ogen hoestte, lukte dat uiteindelijk. Ik zag bijna niets meer! Ik stampte tegen beter weten in, moest gaan zitten, kon weer drie pedaalslagen staan. Steeds weer reed het achterwiel voor me uit mijn gezichtsveld! Een meter, twee meter. Steeds pakte ik het weer terug. Ik wist dat ik de laatste van de kopgroep was en dat ik alleen verloren zou zijn, gedoemd om terug te vallen tot bij die gehate achterblijvers.

Jace van de Ven

 

“Je main-tien-drai! Je main-tien-drai!” In gedachten, op de cadans van de pedaalslagen. We waren halverwege, ik piepte en schuimbekte, duwde en trok aan mijn fietsschoenen, knalde heel mijn gewicht op de pedalen en fixeerde mijn ogen op dat dunne bandje voor me.
Toen demarreerde er weer iemand en accelereerde heel die meute nog een keer. Het laatste wiel reed tien, twintig, dertig meter van me weg. Het leek wel of ik zelf aan het achteruitrijden was. Dit mocht niet, dit kon niet, dit zou niet!
Ik kluunde stampend en piepend weer dichterbij. Het slijm liep nu ook over mijn kin, zweet pikte in mijn ogen, rare zenuwtics trokken het vel over heel mijn lijf samen en het was heet én koud, gloeiend heet én ijzig koud. “Gloei-end heet! IJ-zig koud!” Op de maat van die cadans rukte ik aan mijn stuur, probeerde alles, had niks meer ...

 

En het werd donker om me heen. Hol klinkende geluiden galmden door mijn hoofd. Ik schudde met mijn hoofd heen en weer om mijn ogen te activeren, maar er daagde niet meer dan een vaag lichtend vlak ver voor me. “Dan maar dood”, dacht ik en hoorde mijn piepend hijgen weerkaatsen tegen de duisternis… 
Maar toen.., maar toen besefte ik dat ik in de tunnel was, op de top van de berg, en dat de kopgroep nog geen twintig meter voor me reed. Ik had het gehaald. Ik ging aanpikken en nooit meer loslaten.
Ik brieste van emotie. Een plotselinge braakstuip golfde naar boven. Ik slikte, hoestte en kotste, maar voelde tegelijk dat het makkelijker ging. Dat ik instinctmatig bijschakelde en weer regelmaat in mijn ademhaling kreeg. Aan het eind van de tunnel raakte mijn voorwiel bijna weer aan de laatste achterwielen van de renners uit de kopgroep. Jankend en juichend dook ik het lichtend gat in naar beneden. Ik zou.., de tranen stroomden over mijn wangen.., ik zou mee gaan sprinten voor de dagprijzen!

 

Dit verhaal verscheen eerder in Helden, wielersport in Brabant, nummer 4